Meer genieten van betere wijn met wijnschrijver Bruno Vanspauwen

Hoe is wijn ontstaan?

wijnnieuws

Hoe is wijn ontstaan?

Wie als eerste druivensap liet gisten tot het wijn werd, weten we niet. Net zoals we niet weten wie als eerste op het idee kwam om graan te malen en er brood van te bakken. Wat we wel weten, is dit: de plant waaraan wijndruiven groeien, is een klimplant die in het wild voorkomt. Als je ze niet in bedwang houdt, blijft ze groeien en klimmen, en bladeren en druiven produceren. Ze maakte in de natuur dus deel uit van het leven van onze verre voorouders.

Het kan bijgevolg niet anders of iemand moet die druiven eens geplukt hebben, waarna hij of zij ze in een kom of kruik van aardewerk liet liggen. Daar begonnen die druiven en hun sap na verloop van tijd te schuimen en te borrelen, zeg maar: spontaan te gisten. Zonder dat men in die tijd precies wist wat er gebeurde, was het druivensap wijn aan het worden. Wie er toen van proefde, moet wel gevoeld hebben dat het hem of haar lichtjes bedwelmde.

Archeologen en historici situeren de eerste aanwijzingen van wijnproductie zo'n zevenduizend jaar geleden, via sporen van druiven en wijn op kruiken en vaten. Die werden ontdekt in het gebied dat nu het Midden-Oosten wordt genoemd, de bakermat van onze wijncultuur. Men maakte toen overigens ook alcoholische dranken van andere gewassen zoals graan, honing en vruchten. Dat was lange tijd de enige manier om zonder al te groot gevaar voor de gezondheid je dorst te lessen. Drinkbaar water was immers schaars. Het is dus aannemelijk dat de mens reeds vroeg ontdekte dat hetzelfde principe op wilde druiven kan worden toegepast.

We mogen ervan uitgaan dat er toen nog geen echt goede wijn werd gemaakt, en dat men nog niet wist hoe je wijn kan bewaren. Archeologen hebben aanwijzingen dat wijn toen gemengd werd met hars, honing en kruiden, wellicht omdat hij snel veranderde in azijn. De mogelijkheid om wijn ouder te laten worden, is pas later gekomen, eerst met potten van aardewerk waarin je wijn een jaar kon bewaren tot de volgende oogst. Pas in de zeventiende eeuw werden de glazen fles en de kurk geïntroduceerd.

Stilaan leerde de mens dat de wijnstok betere druiven produceert als je de wijnstok in bedwang houdt, dus als je hem snoeit en leidt. Een min of meer systematische wijnbouw kan alleen ontstaan zijn toen onze voorouders hun nomadenbestaan opgaven en zich ergens voor langere tijd vestigden. Alleen zo konden ze geleidelijk aan leren waar je de wijnstok het best aanplant: in welk klimaat, op welke bodem, in welke windrichting. En hoe je de wijnstok het best beschermt tegen insecten, ziektes, schimmels en de weergoden. Door observatie, proeven en ervaring, overgebracht van generatie op generatie, slaagde de mens erin om steeds betere druiven te kweken. En daar steeds betere wijn van te maken.

Maar dat was een lang proces. Want de wijnstok brengt maar één keer per jaar druiven voort. Je kan dus maar één keer per jaar iets leren.